Story 1: Back to Java, The Lost Suitcase & Tired Tears
15 mei 2024 - Jakarta, Indonesië
Daar sta je dan, kijkend naar hoe elke koffer ploft op de band. Dorstig en moe. Een vette laag over mijn gezicht die ik eraf wil wassen. Ze gaven een doekje in het vliegtuig “to wash your face” maar ik wilde toch ook wat make-up op in deze status. Fuck it, ik was mijn gezicht.
Blij met het schone gezicht, maar geschrokken van de zombie in de spiegel liep ik terug naar de bagageband. De hal van het vliegveld was betoverend met een luxe uitstraling. Gouden wanden met bomen en planten onder een warme belichting. Ze hebben geen geld of moeite bespaard om dit te bouwen.
Daar is ie! Blij grijp ik een koffer van de rups. Eenmaal op de grond ziet hij er toch wat vreemd uit, grijze bleke handvaten die wat hoekig zijn, nee, dit is hem niet. Gauw leg ik hem terug op de band. Ze lijken er allemaal op, maar hij zit er toch écht niet bij. Ik had een overstap in China waarbij ik moest rennen, maar koffers kunnen natuurlijk niet rennen. En blijkbaar kan deze vliegmaatschappij niet plannen, wat een onzin. Ach nu al te laat.
Met een scheve lach kijk ik naar de jonge Indonesische man die vraagt of mijn naam op zijn lijstje staat. Moet ik nog aardig doen tegen deze jongen terwijl ik er eigenlijk doorheen zit? Mijn droge rode ogen kunnen het nog net lezen door de vieze bril. “Yes,” zeg ik met een zucht.
Het had erger kunnen zijn, zei ik tegen mezelf in de taxi. Bij het kantoortje van China Southern Airlines was ook een Nederlandse man die zijn mobiel in de koffer had laten zitten. Wel erg dom om je mobiel in de koffer te doen, maar goed, that’s not the point. Én mijn taxichauffeur was zo lief om te wachten terwijl ik veel te laat was door die verloren koffer. In NL was die ook weggeweest. Even focussen op de goede dingen.
Ik keek het raam uit. Holy shit! Kijk eens, wat mooi. De palmbomen aan de kant van de weg rezen als palen uit de grond. Ze waren zo vol en prachtig groen, zwiepend in de wind, alles was eigenlijk wel mooi hier. Een snelweg die slingerend naar een stad in de jungle liep. Het was best rustig. Jeetje waar ben ik eigenlijk? Met een lach zat ik stralend op de zwarte leren stoel achterin de taxi; Jakarta. Eindelijk terug in Indonesië, tien jaar is veelte lang geweest.
De straten werden steeds krapper en drukker. Overal scooters, auto’s, katten, mensen die oversteken, voedselkraampjes op de weg, afval, auto’s die geparkeerd staan, ho tegenligger! Met elke bocht kwam er wel iets bij tot de weg gewoon vol stond. Toch wist de ervaren taxichauffeur kalmpjes de weg te vinden in de chaos. Zo blij dat ik geen auto of scooter heb gehuurd, thank gawd.
“Yes miss,” zei de man toen we stopten. We stapten de auto uit en de hitte van de stad omhelsde ons. Oja, dat ook nog… dacht ik terwijl de parels zweet op mijn neus verschenen. Gezicht weer vies. Uit automatisme liep de chauffeur naar de kofferbak. Toen hij hem opendeed moesten we allebei lachen. Was het maar zo’n feest.
Het hotel had een enorm hek ervoor, als een bruine ijzeren muur die moest beschermen tegen alle gevaren van de stad. Met een druk op de knop verscheen er een jongentje in de deuropening. Opnieuw Indonesisch, dus een karamel kleurige huid, zwart haar, Aziatische ogen en een kop kleiner. Ja ik mocht verder, uiteraard, dit hek was voor mij gebouwd; King Kong. Ik moest nog even wennen dat iedereen er hier anders uit ziet. Zij moesten ook wennen aan mij.
Geen warm welkom, ze spraken amper Engels. Met een grote frons probeerde ik de vrouw met de hoofddoek achter de balie te verstaan. Ben ik ook doof door die reis van 18 uur en 40 minuten of lijkt het maar zo? “Ehm, okay, key, room, second floor,” mompelde ik om haar verhaal samen te vatten. Ze knikte en gaf me nog een papiertje waar alles wel in goed Engels op stond, aha, top! Zeg dat dan gelijk.
Trappen, lift…sowieso de lift, deze zombie is klaar voor het graf. Met mijn laatste energie strompelde ik naar de kamer. Vol hoop deed ik de deur open. Daar was ik dan na een hele dag en nacht reizen. Alle fysieke en mentale barrières doorstaan om te komen in deze prachtige… kut kamer.Het had geen raam en het bed was op een soort verdieping die te bereiken was met een steile metalen trap. Nee, piepte ik als een klein meisje. Ik word te oud voor dit soort shit. We zitten toch niet op een boot?! Met mijn stijve zombievoeten ging ik stapje voor stapje de steile trap op. Turtle-speed. Ik heb honger, jammerde ik. Ik wil mijn koffer, dacht ik terwijl ik me op het bed trok alsof ik me na lang zwemmen uitgeput op het strand hees.
De airco zat precies op de muur naast me en blies rammelend ijskoude lucht van mijn voorhoofd tot mijn tenen. Nee he, ging het kleine meisje weer. Ik snap de airco niet. Ik ben zo moe. Waar zit de lichtknop?
Hysterisch lachend kwam ik de trap weer af. Uiteraard beneden.










En dan die kamer. Heeeeeeel veel goeds en moois gewenst Mirte.